ketter
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈkɛtərBetekenis
- iemand die vanwege afwijking van de katholieke leer tot misdadiger verklaard was
- aanhanger van een leerstelling, die in tegenspraak is met datgene wat een bepaalde geloofsgemeenschap beschouwt als de fundamentele geloofsleer
Hoe spreek je ketter uit?
/ˈkɛtər/
Ketter bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ketters | meervoud |
| kettertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kettertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ketteren
- gebiedende wijs van ketteren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ketteren
Vervoeging van ketter
ketterhele werkwoord
Herkomst
Ontwikkeld uit Middelnederlands ketteren, cattren mv (begin 13e eeuw), ontleend aan kerkelijk latijn catharus in de pejoratieve betekenis van “afvallige, ketter” (uiteindelijk ontleend aan de Byzantijns Griekse benaming voor een afwijkende geloofsgemeenschap, de Katharói).
Woordfamilie van ketter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ketters | meervoud | ketter |
| kettertje | verkleinwoord | ketter |
| kettertjes | verkleinwoord meervoud | ketter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ketter zijn vastgelegd.