keet
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- gebouwtje voor tijdelijk verblijf
- herrie, drukte
- troep, rommel, zootje
- plezier
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| keetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| keetjes | verkleinwoord, meervoud |
| keten | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van keten
- gebiedende wijs van keten
Vervoeging van keet
keethele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘schuur’ voor het eerst aangetroffen in 1287
Woordfamilie van keet
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| keetje | verkleinwoord | keet |
| keetjes | verkleinwoord meervoud | keet |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van keet zijn vastgelegd.