jurist
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een deskundige op het gebied van rechtsleer
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| juristen | meervoud |
| juristje | verkleinwoord, enkelvoud |
| juristjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘rechtsgeleerde’ voor het eerst aangetroffen in 1401
Woordfamilie van jurist
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| juristen | meervoud | jurist |
| juristje | verkleinwoord | jurist |
| juristjes | verkleinwoord meervoud | jurist |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jurist zijn vastgelegd.