interieur
zelfstandig naamwoordBetekenis
- het inwendige van een gebouw, auto, vliegtuig...
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| interieuren | meervoud |
| interieurs | meervoud |
| interieurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| interieurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘het inwendige’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van interieur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| interieuren | meervoud | interieur |
| interieurs | meervoud | interieur |
| interieurtje | verkleinwoord | interieur |
| interieurtjes | verkleinwoord meervoud | interieur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van interieur zijn vastgelegd.