implantaat
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een stof, voorwerp, toestel etc. dat in een lichaam wordt aangebracht
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| implantaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| implantaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| implantaten | meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van implanteren met het achtervoegsel -aat
Woordfamilie van implantaat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| implantaatje | verkleinwoord | implantaat |
| implantaatjes | verkleinwoord meervoud | implantaat |
| implantaten | meervoud | implantaat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van implantaat zijn vastgelegd.