pacemaker
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een elektronisch instrument voor het hart
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pacemakers | meervoud |
| pacemakertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pacemakertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘gangmaker in de sport’ voor het eerst aangetroffen in 1889
Woordfamilie van pacemaker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pacemakers | meervoud | pacemaker |
| pacemakertje | verkleinwoord | pacemaker |
| pacemakertjes | verkleinwoord meervoud | pacemaker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pacemaker zijn vastgelegd.