hinder
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈhɪndərBetekenis
- last, ongemak: Wegenwerken veroorzaken meestal hinder voor de omwonenden.
Hoe spreek je hinder uit?
/ˈhɪndər/
Hinder bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- last, ongemak
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hinderen
- gebiedende wijs van hinderen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hinderen
Vervoeging van hinder
hinderhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘overlast’ voor het eerst aangetroffen in 1297