hieuwen
werkwoordBetekenis
- met een windas ophijsen
Vervoeging van hieuwen
hieuwenhele werkwoord — hieuwdeverleden tijd enkelvoud — hieuwdenverleden tijd meervoud — gehieuwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hieuw | hieuwde |
| jij | hieuwt | hieuwde |
| hij, zij, het | hieuwt | hieuwde |
| wij | hieuwen | hieuwden |
| jullie | hieuwen | hieuwden |
| zij | hieuwen | hieuwden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gehieuwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gehieuwd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gehieuwd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gehieuwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gehieuwd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gehieuwd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gehieuwd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gehieuwd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gehieuwd | verleden tijd, deelwoord |
| gehieuwd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gehieuwd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gehieuwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehieuwd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehieuwd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehieuwd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gehieuwd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gehieuwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gehieuwd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gehieuwd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehieuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehieuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehieuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehieuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehieuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehieuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehieuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehieuwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hieuw | gebiedende wijs |
| hieuwde | verleden tijd |
| hieuwe | aanvoegende wijs |
| hieuwend | onvoltooid, deelwoord |
| is gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gehieuwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hieuwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hieuwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gehieuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gehieuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gehieuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gehieuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gehieuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gehieuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gehieuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gehieuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehieuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehieuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gehieuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehieuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gehieuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehieuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehieuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehieuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehieuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehieuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehieuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehieuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehieuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gehieuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehieuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehieuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehieuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gehieuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehieuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehieuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehieuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gehieuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehieuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehieuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hieuwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehieuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gehieuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van houwen
Vervoeging van hieuwen
hieuwenhele werkwoord — hieuwdeverleden tijd enkelvoud — hieuwdenverleden tijd meervoud — gehieuwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hieuw | hieuwde |
| jij | hieuwt | hieuwde |
| hij, zij, het | hieuwt | hieuwde |
| wij | hieuwen | hieuwden |
| jullie | hieuwen | hieuwden |
| zij | hieuwen | hieuwden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gehieuwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gehieuwd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gehieuwd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gehieuwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gehieuwd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gehieuwd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gehieuwd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gehieuwd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gehieuwd | verleden tijd, deelwoord |
| gehieuwd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gehieuwd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gehieuwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehieuwd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehieuwd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehieuwd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gehieuwd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gehieuwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gehieuwd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gehieuwd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehieuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehieuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehieuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehieuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehieuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehieuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehieuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehieuwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hieuw | gebiedende wijs |
| hieuwde | verleden tijd |
| hieuwe | aanvoegende wijs |
| hieuwend | onvoltooid, deelwoord |
| is gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gehieuwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hieuwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hieuwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gehieuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gehieuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gehieuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gehieuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gehieuwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gehieuwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gehieuwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gehieuwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gehieuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehieuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehieuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gehieuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehieuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gehieuwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gehieuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehieuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehieuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehieuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehieuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehieuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehieuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehieuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehieuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gehieuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehieuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehieuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehieuwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gehieuwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehieuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehieuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehieuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gehieuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehieuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehieuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hieuwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehieuwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gehieuwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gehieuwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hieuwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordfamilie van hieuwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehieuwd | voltooid deelwoord | hieuwen |
| gehieuwde | woordvorm | hieuwen |
| hieuwde | verleden tijd | hieuwen |
| hieuwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hieuwen |
| hieuwe | aanvoegende wijs | hieuwen |
| hieuwend | onvoltooid deelwoord | hieuwen |
| hieuwende | woordvorm | hieuwen |
| hieuwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hieuwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hieuwen zijn vastgelegd.