inhouwen
werkwoordBetekenis
- door houwen in iets aanbrengen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van inhouwen
inhouwenhele werkwoord — hieuw inverleden tijd enkelvoud — hieuwen inverleden tijd meervoud — ingehouwenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | houw in | hieuw in |
| jij | houwt in | hieuw in |
| hij, zij, het | houwt in | hieuw in |
| wij | houwen in | hieuwen in |
| jullie | houwen in | hieuwen in |
| zij | houwen in | hieuwen in |
Alle 108 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is ingehouwen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingehouwen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingehouwen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingehouwen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingehouwen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingehouwen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingehouwen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingehouwen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingehouwen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingehouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingehouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingehouwen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingehouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingehouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingehouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingehouwen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hieuw in | verleden tijd |
| houw in | gebiedende wijs |
| in te houwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen houwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal houwen | bijzin, toekomende tijd |
| in zou houwen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden houwen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt houwen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen houwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen houwen | bijzin, toekomende tijd |
| in zult houwen | bijzin, toekomende tijd |
| ingehouwen | verleden tijd, deelwoord |
| ingehouwen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingehouwen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingehouwen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingehouwen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingehouwen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingehouwen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingehouwen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingehouwen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingehouwen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingehouwen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inhieuw | bijzin, verleden tijd |
| inhieuwen | bijzin, verleden tijd |
| inhieuwt | bijzin, verleden tijd |
| inhouw | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inhouwend | onvoltooid, deelwoord |
| inhouwt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| is ingehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben ingehouwen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inhouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren ingehouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingehouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ingehouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden ingehouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden ingehouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ingehouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ingehouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingehouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingehouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ingehouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ingehouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inhouwen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn ingehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou ingehouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingehouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingehouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ingehouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ingehouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inhouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inhouwen in zou(dt) houwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingehouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingehouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingehouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingehouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingehouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inhouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingehouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inhouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingehouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingehouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingehouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingehouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingehouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inhouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inhouwen | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingehouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult inhouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult inhouwen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal inhouwen in zult/zal houwen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in bw en houwen ww
Woordfamilie van inhouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hieuw in | verleden tijd | inhouwen |
| hieuwen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inhouwen |
| hieuwt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | inhouwen |
| houw in | gebiedende wijs | inhouwen |
| houwe in | woordvorm | inhouwen |
| houwen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inhouwen |
| houwt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inhouwen |
| ingehouwen | voltooid deelwoord | inhouwen |
| inhieuw | subordinate-clause, verleden tijd | inhouwen |
| inhieuwen | subordinate-clause, verleden tijd | inhouwen |
| inhieuwt | subordinate-clause, verleden tijd | inhouwen |
| inhouw | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inhouwen |
| inhouwe | with-subordinate-clause | inhouwen |
| inhouwend | onvoltooid deelwoord | inhouwen |
| inhouwende | woordvorm | inhouwen |
| inhouwt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inhouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inhouwen zijn vastgelegd.