uithouwen
werkwoordBetekenis
- uit steen uithakken
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van uithouwen
uithouwenhele werkwoord — hieuw uitverleden tijd enkelvoud — hieuwen uitverleden tijd meervoud — uitgehouwenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | houw uit | hieuw uit |
| jij | houwt uit | hieuw uit |
| hij, zij, het | houwt uit | hieuw uit |
| wij | houwen uit | hieuwen uit |
| jullie | houwen uit | hieuwen uit |
| zij | houwen uit | hieuwen uit |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgehouwen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgehouwen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgehouwen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgehouwen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgehouwen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgehouwen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgehouwen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgehouwen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgehouwen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgehouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgehouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgehouwen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgehouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgehouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgehouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgehouwen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hieuw uit | verleden tijd |
| houw uit | gebiedende wijs |
| is uitgehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgehouwen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uithouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te houwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen houwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal houwen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou houwen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden houwen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt houwen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen houwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen houwen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult houwen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgehouwen | verleden tijd, deelwoord |
| uitgehouwen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgehouwen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgehouwen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgehouwen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgehouwen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgehouwen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgehouwen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgehouwen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgehouwen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgehouwen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uithieuw | bijzin, verleden tijd |
| uithieuwen | bijzin, verleden tijd |
| uithieuwt | bijzin, verleden tijd |
| uithouw | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uithouwend | onvoltooid, deelwoord |
| uithouwt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart uitgehouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgehouwen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgehouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgehouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgehouwen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgehouwen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgehouwen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgehouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgehouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgehouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgehouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgehouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgehouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgehouwen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgehouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgehouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgehouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgehouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgehouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgehouwen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgehouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgehouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgehouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgehouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgehouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgehouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgehouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uithouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uithouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uithouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uithouwen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgehouwen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgehouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgehouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgehouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgehouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgehouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgehouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgehouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgehouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgehouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uithouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uithouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uithouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uithouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uithouwen uit zou(dt) houwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgehouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgehouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgehouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgehouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgehouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgehouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgehouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgehouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgehouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uithouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uithouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uithouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uithouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgehouwen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgehouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgehouwen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uithouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uithouwen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgehouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgehouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgehouwen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgehouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgehouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgehouwen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgehouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgehouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgehouwen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uithouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uithouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uithouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uithouwen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uithouwen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit bw en houwen ww
Woordfamilie van uithouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hieuw uit | verleden tijd | uithouwen |
| hieuwen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uithouwen |
| houw uit | gebiedende wijs | uithouwen |
| houwe uit | woordvorm | uithouwen |
| houwen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uithouwen |
| houwt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uithouwen |
| uitgehouwen | voltooid deelwoord | uithouwen |
| uithieuw | subordinate-clause, verleden tijd | uithouwen |
| uithieuwen | subordinate-clause, verleden tijd | uithouwen |
| uithouw | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uithouwen |
| uithouwe | with-subordinate-clause | uithouwen |
| uithouwend | onvoltooid deelwoord | uithouwen |
| uithouwende | woordvorm | uithouwen |
| uithouwt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uithouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uithouwen zijn vastgelegd.