heugen
werkwoord ˈhøɣə(n)Betekenis
- in geheugen bijblijven
Hoe spreek je heugen uit?
/ˈhøxən/
Heugen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ø | deur |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- in de herinnering bijblijven impersonal
- in de herinnering oproepen transitive
- uit de herinnering oproepen reflexive
Vervoeging van heugen
heugenhele werkwoord — heugdeverleden tijd enkelvoud — heugdenverleden tijd meervoud — geheugdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | heug | heugde |
| jij | heugt | heugde |
| hij, zij, het | heugt | heugde |
| wij | heugen | heugden |
| jullie | heugen | heugden |
| zij | heugen | heugden |
Alle 58 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geheugd | verleden tijd, deelwoord |
| geheugd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geheugd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geheugd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geheugd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geheugd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geheugd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geheugd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geheugd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geheugd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geheugd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geheugd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geheugd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geheugd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geheugd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geheugd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geheugd | verleden tijd, deelwoord |
| heeft geheugd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geheugd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heug | gebiedende wijs |
| heugde | verleden tijd |
| heuge | aanvoegende wijs |
| heugend | onvoltooid, deelwoord |
| heugt | tegenwoordige tijd |
| te hebben geheugd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te heugen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen heugen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geheugd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geheugd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geheugd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal heugen | toekomende tijd |
| zal heugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal heugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal heugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geheugd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geheugd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geheugd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou heugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou heugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou heugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geheugd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geheugd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geheugd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden heugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden heugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden heugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geheugd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt heugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geheugd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geheugd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geheugd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen heugen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen heugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen heugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen heugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geheugd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult heugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
van Middelnederlands hogen, op te vatten als afgeleid van heug zn met het achtervoegsel -en, in de betekenis van ‘herinnerd worden’ aangetroffen vanaf 1330
Woordfamilie van heugen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geheugd | voltooid deelwoord | heugen |
| heugde | verleden tijd | heugen |
| heugden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | heugen |
| heuge | aanvoegende wijs | heugen |
| heugend | onvoltooid deelwoord | heugen |
| heugende | woordvorm | heugen |
| heugt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | heugen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van heugen zijn vastgelegd.