leugen
zelfstandig naamwoord ˈløɣə(n)Betekenis
- een mededeling die niet waar is met de bedoeling om anderen te misleiden
- van leugens aaneenhangen: altijd maar liegen
Hoe spreek je leugen uit?
/ˈløxən/
Leugen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ø | deur |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- mededeling die niet waar is, met de bedoeling om anderen te misleiden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| leugens | meervoud |
| leugentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| leugentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands lueghene / logene van Oudnederlands lugina, in de betekenis van ‘onwaarheid’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van leugen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| leugens | meervoud | leugen |
| leugentje | verkleinwoord | leugen |
| leugentjes | verkleinwoord meervoud | leugen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van leugen zijn vastgelegd.