beugen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈbøɣə(n)Betekenis
- vissen met de beug
- buigen
- vervoegen
Hoe spreek je beugen uit?
/ˈbøxən/
Beugen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ø | deur |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van beugen
beugenhele werkwoord — beugdeverleden tijd enkelvoud — beugdenverleden tijd meervoud — gebeugdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beug | beugde |
| jij | beugt | beugde |
| hij, zij, het | beugt | beugde |
| wij | beugen | beugden |
| jullie | beugen | beugden |
| zij | beugen | beugden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beug | gebiedende wijs |
| beugde | verleden tijd |
| beuge | aanvoegende wijs |
| beugend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebeugd | verleden tijd, deelwoord |
| gebeugd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeugd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebeugd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebeugd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebeugd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebeugd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebeugd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebeugd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebeugd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebeugd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeugd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebeugd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeugd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebeugd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebeugd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeugd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeugd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beugen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebeugd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beugen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal beugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebeugd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeugd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebeugd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou beugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebeugd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeugd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeugd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebeugd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebeugd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebeugd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt beugen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebeugd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen beugen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebeugd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebeugd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebeugd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult beugen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebeugd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord beug
Herkomst
afgeleid van beug met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van beugen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beugde | verleden tijd | beugen |
| beugden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | beugen |
| beuge | aanvoegende wijs | beugen |
| beugend | onvoltooid deelwoord | beugen |
| beugende | woordvorm | beugen |
| beugt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beugen |
| gebeugd | voltooid deelwoord | beugen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beugen zijn vastgelegd.