hals
zelfstandig naamwoord, werkwoord hɑlsBetekenis
- nauw gedeelte van het lichaam dat het hoofd met de romp verbindt
- gedeelte van een kledingstuk waar men de hals door steekt
- goedaardig, onnozel mens
- op een hals lijkend deel van een voorwerp
- keel, nek
- V-hals
- waaghals
- flessenhals
- hals (van mensen)
- hals, nek (van dieren)
Hoe spreek je hals uit?
/hɑls/
Hals bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| l | land |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — masculine
- dom iemand, vooral van het mannelijk geslacht informal, pejorative
- op een hals lijkend deel van bepaalde voorwerpen figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| halsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| halsjes | verkleinwoord, meervoud |
| halzen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van halzen
- gebiedende wijs van halzen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van halzen
Vervoeging van hals
halshele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘keel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1080
Woordfamilie van hals
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| halsje | verkleinwoord | hals |
| halsjes | verkleinwoord meervoud | hals |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hals zijn vastgelegd.