haai
zelfstandig naamwoord, werkwoord hajBetekenis
- hebzuchtig, inhalig persoon (met een grote bek)
Hoe spreek je haai uit?
/haj/
Haai bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| a | maan |
| j | ja |
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor roofvissen uit de superorde Selachimorpha
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| haaien | meervoud |
| haaitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| haaitjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haaien
- gebiedende wijs van haaien
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haaien
Vervoeging van haai
haaihele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Oudnoor(d)s, in de betekenis van ‘kraakbeenvis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1445-1455
Woordfamilie van haai
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| haaitje | verkleinwoord | haai |
| haaitjes | verkleinwoord meervoud | haai |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van haai zijn vastgelegd.