papegaai
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˌpɑpəˈɣajBetekenis
- een vogel die de menselijke stem kan nabootsen
- bedheffer
Hoe spreek je papegaai uit?
/ˌpɑpəˈxaj/
Papegaai bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| ə | de |
| x | acht |
| a | maan |
| j | ja |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor vogels uit de orde Psittaciformes, vaak met een bont verenkleed en het vermogen de menselijke stem na te bootsen
- iemand die andere mensen napraat, zonder een eigen opvatting te ontwikkelen figuratively, pejorative
- stalen, driehoekige steun boven een bed, waaraan een patiënt zich kan optrekken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| papegaaien | meervoud |
| papegaaitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| papegaaitjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van papegaaien
- gebiedende wijs van papegaaien
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van papegaaien
Vervoeging van papegaai
papegaaihele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘papegaaiachtige’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287