gaai
zelfstandig naamwoord /ɣaːj/Betekenis
- een middelgrote, gewoonlijk vrij kleurrijke zangvogel met een vrij lange staart uit de kraaienfamilie Corvidae
- een houten klos die als doelwit gebruikt wordt bij het spelen van gaaibol
Hoe spreek je gaai uit?
/xaj/
Gaai bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| a | maan |
| j | ja |
zelfstandig naamwoord — masculine
- middelgrote, gewoonlijk vrij kleurrijke zangvogel met een vrij lange staart, uit het geslacht Garrulus van de kraaienfamilie (Corvidae) en in het bijzonder de soort Garrulus glandarius
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gaaien | meervoud |
| gaaitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gaaitjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zangvogel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Woordfamilie van gaai
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gaaien | meervoud | gaai |
| gaaitje | verkleinwoord | gaai |
| gaaitjes | verkleinwoord meervoud | gaai |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gaai zijn vastgelegd.