filter
zelfstandig naamwoord, werkwoord /fɪltər/Betekenis
- een poreus voorwerp waar water of gassen doorheen kunnen om gezuiverd te worden
- voorwerp om een bepaald deel van het lichtspectrum tegen te houden (blauwfilter, geelfilter, kleurfilter, lichtfilter, roodfilter, polarisatiefilter, ultravioletfilter)
- een apparaat dat trillingen van verschillende frequentie niet in gelijke mate doorlaat
- software om de toegang tot ongewenste internetpagina's te verhinderen dan wel ongewenste e-mails te blokkeren (internetfilter, netfilter, pornofilter, spamfilter)
Hoe spreek je filter uit?
/fɪltər/
Filter bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| ɪ | pit |
| l | land |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| filters | meervoud |
| filtertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| filtertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van filteren
- gebiedende wijs van filteren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van filteren
Vervoeging van filter
filterhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zeef’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1851
Woordfamilie van filter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| filters | meervoud | filter |
| filtertje | verkleinwoord | filter |
| filtertjes | verkleinwoord meervoud | filter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van filter zijn vastgelegd.