rooster
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈrostərBetekenis
- object bestaande uit een maasstructuur
- toestel om te roosteren
- een schema waarop aangegeven staat wat er op een bepaalde tijd gebeuren moet
- een structuur met translatiesymmetrie, gewoonlijk in drie dimensies
- haan
Hoe spreek je rooster uit?
/ˈrostər/
Rooster bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| o | boot |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| roosters | meervoud |
| roostertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| roostertjes | verkleinwoord, meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| roosters | meervoud |
| roostertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| roostertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roosteren
- gebiedende wijs van roosteren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roosteren
Vervoeging van rooster
roosterhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘raamwerk’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van rooster
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| roosters | meervoud | rooster |
| roostertje | verkleinwoord | rooster |
| roostertjes | verkleinwoord meervoud | rooster |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rooster zijn vastgelegd.