zeef
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een werktuig met veel gaatjes voor het scheiden van een vloeistof of fijn poeder van de zich de daarin bevindende grotere vaste delen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zeefje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zeefjes | verkleinwoord, meervoud |
| zeven | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeven
- gebiedende wijs van zeven
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeven
Vervoeging van zeef
zeefhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘werktuig om te zeven’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van zeef
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zeefje | verkleinwoord | zeef |
| zeefjes | verkleinwoord meervoud | zeef |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zeef zijn vastgelegd.