zeefdoek
zelfstandig naamwoord ˈzevdukBetekenis
- een vrij los weefsel dat water goed doorlaat en gebruikt kan worden als zeef
- een doek vervaardigd uit 1
Hoe spreek je zeefdoek uit?
/ˈzevduk/
Zeefdoek bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| e | veel |
| v | vis |
| d | dak |
| u | boek |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- en een vrij los weefsel dat water goed doorlaat en gebruikt kan worden als zeef masculine, neuter
- een doek vervaardigd uit [1] masculine
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zeefdoeken | meervoud |
| zeefdoekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zeefdoekjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van zeef ww en doek
Woordfamilie van zeefdoek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zeefdoeken | meervoud | zeefdoek |
| zeefdoekje | verkleinwoord | zeefdoek |
| zeefdoekjes | verkleinwoord meervoud | zeefdoek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zeefdoek zijn vastgelegd.