factor
zelfstandig naamwoord ˈfɑktɔrBetekenis
- meewerkende oorzaak, katalysator
- getal in een vermenigvuldiging
- maat waarmee men de werking of een eigenschap van een stof of product kan weergeven
- een afgezant van een handelaar
Hoe spreek je factor uit?
/ˈfɑktɔr/
Factor bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| ɑ | bad |
| k | kat |
| t | tak |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| factoren | meervoud |
| factortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| factortjes | verkleinwoord, meervoud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand die namens een of meer anderen werkzaamheden verricht, bijv. een afgezant van een handelaar
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| factors | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘in de wiskunde: vermenigvuldiger’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1821
Woordfamilie van factor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| factors | meervoud | factor |
| factortje | verkleinwoord | factor |
| factortjes | verkleinwoord meervoud | factor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van factor zijn vastgelegd.