tractor
zelfstandig naamwoord /ˈtrɑktɔr/Betekenis
- motorvoertuig dat dient tot het voorttrekken van landbouwwerktuigen, machines enz
- (Europees Portugees)
Hoe spreek je tractor uit?
/ˈtrɑktɔr/
Tractor bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| k | kat |
| ɔ | bot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tractoren | meervoud |
| tractors | meervoud |
| tractortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tractortjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘trekker van voertuigen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1928
Woordfamilie van tractor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tractoren | meervoud | tractor |
| tractors | meervoud | tractor |
| tractortje | verkleinwoord | tractor |
| tractortjes | verkleinwoord meervoud | tractor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tractor zijn vastgelegd.