eenheid
zelfstandig naamwoord ˈenhɛitBetekenis
- bij elkaar horend geheel met kenmerkende eigenschappen.
- het gevoel dat je met velen één bent
- maat waarin hoeveelheden worden uitgedrukt.
- woonruimte
Hoe spreek je eenheid uit?
/ˈenhɛit/
Eenheid bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| e | veel |
| n | nek |
| h | hoed |
| ɛi | trein |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- een bij elkaar horend geheel (systeem) met kenmerkende eigenschappen
- het gevoel dat men met velen op één lijn zit
- maat, standaard [1] waarin een grootheid [1] wordt uitgedrukt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| eenheden | meervoud |
| eenheidje | verkleinwoord, enkelvoud |
| eenheidjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands eenheit, op te vatten als afgeleid van een ht met het achtervoegsel -heid als leenvertaling van Latijn unitas; in de betekenis van ‘hecht samenhangend geheel’ aangetroffen vanaf 1461
Woordfamilie van eenheid
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| eenheden | meervoud | eenheid |
| eenheidje | verkleinwoord | eenheid |
| eenheidjes | verkleinwoord meervoud | eenheid |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van eenheid zijn vastgelegd.