donderen
werkwoord /ˈdɔndərə(n)/Betekenis
- het weerklinken van luid gerommel ten gevolge van bliksemontlading
- op luide en barse toon een bevel geven of zijn ongenoegen uiten
- (met veel lawaai) ergens af-/uitvallen
Hoe spreek je donderen uit?
/ˈdɔndərən/
Donderen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- ergens af-/uitvallen ergative, informal
Vervoeging van donderen
donderenhele werkwoord — donderdeverleden tijd enkelvoud — donderdenverleden tijd meervoud — gedonderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | donder | donderde |
| jij | dondert | donderde |
| hij, zij, het | dondert | donderde |
| wij | donderen | donderden |
| jullie | donderen | donderden |
| zij | donderen | donderden |
Alle 129 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| donder | gebiedende wijs |
| donderde | verleden tijd |
| dondere | aanvoegende wijs |
| donderend | onvoltooid, deelwoord |
| dondert | tegenwoordige tijd |
| er is gedonderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedonderd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedonderd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedonderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedonderd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedonderd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedonderd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedonderd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedonderd | verleden tijd, deelwoord |
| gedonderd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedonderd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedonderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedonderd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedonderd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedonderd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedonderd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedonderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedonderd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedonderd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedonderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedonderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedonderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedonderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedonderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedonderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedonderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedonderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedonderd | verleden tijd, deelwoord |
| hebben gedonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te donderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedonderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen donderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedonderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedonderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedonderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedonderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedonderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedonderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedonderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedonderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedonderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedonderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedonderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedonderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedonderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedonderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedonderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedonderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedonderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedonderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedonderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedonderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal donderen | toekomende tijd |
| zal donderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal donderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal donderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedonderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedonderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedonderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedonderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedonderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou donderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou donderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou donderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedonderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedonderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedonderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedonderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedonderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedonderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden donderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden donderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden donderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedonderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedonderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedonderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gedonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gedonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedonderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedonderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedonderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt donderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedonderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedonderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen donderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen donderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen donderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen donderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedonderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedonderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedonderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gedonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gedonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedonderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedonderd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedonderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult donderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedonderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedonderd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘hard lawaai maken, o.a. van donder’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van donderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| donderde | verleden tijd | donderen |
| donderden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | donderen |
| dondere | aanvoegende wijs | donderen |
| dondert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | donderen |
| gedonderd | voltooid deelwoord | donderen |
| gedonderde | woordvorm | donderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van donderen zijn vastgelegd.