Naar de inhoud

afzonderen

zich ~ zichzelf uit de groep halen

afzonderen

werkwoord /ˈɑfˌsɔnd(ə)rən/

Betekenis

  1. zich ~ zichzelf uit de groep halen
  2. afscheiden, scheiden

Hoe spreek je afzonderen uit?

/ˈɑfˌsɔndərən/

Afzonderen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑfˌsɔndərən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
s sok
ɔ bot
n nek
d dak
ə de
r rood
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon

Vervoeging van afzonderen

afzonderenhele werkwoord — zonderde afverleden tijd enkelvoud — zonderden afverleden tijd meervoud — afgezonderdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zonder af zonderde af
jij zondert af zonderde af
hij, zij, het zondert af zonderde af
wij zonderen af zonderden af
jullie zonderen af zonderden af
zij zonderen af zonderden af
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te zonderen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen zonderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal zonderen bijzin, toekomende tijd
af zou zonderen bijzin, voorwaardelijk
af zouden zonderen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt zonderen bijzin, voorwaardelijk
af zullen zonderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen zonderen bijzin, toekomende tijd
af zult zonderen bijzin, toekomende tijd
afgezonderd verleden tijd, deelwoord
afgezonderd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgezonderd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgezonderd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezonderd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezonderd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgezonderd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgezonderd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgezonderd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgezonderd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgezonderd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afzonder bijzin, tegenwoordige tijd
afzonderde bijzin, verleden tijd
afzonderden bijzin, verleden tijd
afzonderend onvoltooid, deelwoord
afzondert bijzin, tegenwoordige tijd
ben afgezonderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgezonderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgezonderd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgezonderd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgezonderd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgezonderd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgezonderd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgezonderd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgezonderd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgezonderd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgezonderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgezonderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgezonderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgezonderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgezonderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgezonderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgezonderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgezonderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgezonderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgezonderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgezonderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgezonderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgezonderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgezonderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgezonderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgezonderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgezonderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgezonderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afzonderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgezonderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgezonderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgezonderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgezonderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgezonderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgezonderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgezonderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgezonderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgezonderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgezonderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgezonderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgezonderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgezonderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgezonderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgezonderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgezonderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgezonderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgezonderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgezonderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgezonderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgezonderd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezonderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgezonderd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgezonderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezonderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgezonderd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgezonderd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afzonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afzonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afzonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afzonderen bijzin, toekomende tijd
zal me afzonderen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich afzonderen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je afzonderen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich afgezonderd hebben verleden tijd
zich afzonderend onvoltooid, deelwoord
zijn afgezonderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgezonderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgezonderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgezonderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zonder af gebiedende wijs
zonder u/je af, zondert je af gebiedende wijs
zonderde af verleden tijd
zou afgezonderd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezonderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezonderd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgezonderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezonderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgezonderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezonderd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgezonderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgezonderd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afzonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afzonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afzonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afzonderen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afzonderen af zou(dt) zonderen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgezonderd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgezonderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgezonderd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgezonderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgezonderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgezonderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgezonderd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgezonderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgezonderd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afzonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afzonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afzonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afzonderen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgezonderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgezonderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgezonderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afzonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afzonderen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgezonderd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgezonderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgezonderd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgezonderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgezonderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgezonderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgezonderd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgezonderd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgezonderd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en zonderen ww (verouderd)

Woordfamilie van afzonderen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afzonder subordinate-clause, tegenwoordige tijd afzonderen
afzonderde subordinate-clause, verleden tijd afzonderen
afzonderden subordinate-clause, verleden tijd afzonderen
afzondere with-subordinate-clause afzonderen
afzonderend onvoltooid deelwoord afzonderen
afzonderende woordvorm afzonderen
afzondert subordinate-clause, tegenwoordige tijd afzonderen
zonder af gebiedende wijs afzonderen
zonderde af verleden tijd afzonderen
zonderden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afzonderen
zondere af woordvorm afzonderen
zonderen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afzonderen
zondert af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afzonderen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afzonderen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over afzonderen

Hoe spreek je afzonderen uit?
De uitspraak van afzonderen is: /ˈɑfˌsɔnd(ə)rən/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent afzonderen?
Afzonderen is een werkwoord. Het woord betekent: zich ~ zichzelf uit de groep halen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je afzonderen?
Je vervoegt afzonderen als volgt: het voltooid deelwoord is afgezonderd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op afzonderen?

Er staan 4 woorden in dit woordenboek die op afzonderen rijmen, waaronder bewonderen, verwonderen en donderen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op afzonderen, uitspraak ˈɑfˌsɔndərən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
bewonderen 4
verwonderen 4
donderen 3
wereldwonderen 5

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afzonderen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. Z 4
  4. O 1
  5. N 1
  6. D 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afzonderen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. Z 5
  4. O 1
  5. N 1
  6. D 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afzonderen in het kort

afzonderen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van afzonderen zijn 99 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afzonderen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afzonderen: zich ~ zichzelf uit de groep halen
Deel afzonderen — standaardnederlands.nl