donder
zelfstandig naamwoord, werkwoord 'dɔndərBetekenis
- een zeer luid geluid bij onweer
- het lichaam
Hoe spreek je donder uit?
/ˈdɔndər/
Donder bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- het menselijk lichaam (voornamelijk in op zijn ~ krijgen)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| donders | meervoud |
| dondertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| dondertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van donderen
- gebiedende wijs van donderen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van donderen
Vervoeging van donder
donderhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘geluid bij bliksemslag’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van donder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dondertje | verkleinwoord | donder |
| dondertjes | verkleinwoord meervoud | donder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van donder zijn vastgelegd.