detector
zelfstandig naamwoord de'tɛktɔrBetekenis
- een onderdeel, een instrument dat wordt toegepast om een informatief signaal af te geven over één of meer technische grootheden (beweging, gas, temperatuur, druk enz.)
- demodulator
- detector
Hoe spreek je detector uit?
/deˈtɛktɔr/
Detector bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| e | veel |
| t | tak |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| detectoren | meervoud |
| detectors | meervoud |
| detectortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| detectortjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘opsporingstoestel’ voor het eerst aangetroffen in 1867
Woordfamilie van detector
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| detectoren | meervoud | detector |
| detectors | meervoud | detector |
| detectortje | verkleinwoord | detector |
| detectortjes | verkleinwoord meervoud | detector |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van detector zijn vastgelegd.