sector
zelfstandig naamwoord /'sɛktɔr/Betekenis
- een deel van een cirkel in de vorm van een taartpunt, omsloten door een cirkelboog en twee stralen
- een vakgebied of bedrijfstak
- de kleinste eenheid van een harddisk die in één bewerking door een lees/schrijfkop kan verwerkt worden
- iemand die secties verricht
- (alle bet.)
Hoe spreek je sector uit?
/ˈsɛktɔr/
Sector bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| t | tak |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| sectoren | meervoud |
| sectors | meervoud |
| sectortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| sectortjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘afdeling’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1740
Woordfamilie van sector
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sectoren | meervoud | sector |
| sectors | meervoud | sector |
| sectortje | verkleinwoord | sector |
| sectortjes | verkleinwoord meervoud | sector |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sector zijn vastgelegd.