Naar de inhoud

uitvreten

iets slechts of verwerpelijks uithalen

uitvreten

werkwoord

Betekenis

  1. iets slechts of verwerpelijks uithalen
  2. op kosten leven van
  3. uitbijten
  4. leegvreten, opvreten

Vervoeging van uitvreten

uitvretenhele werkwoord — vrat uitverleden tijd enkelvoud — vraten uitverleden tijd meervoud — uitgevretenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vreet uit vrat uit
jij vreet uit vrat uit
hij, zij, het vreet uit vrat uit
wij vreten uit vraten uit
jullie vreten uit vraten uit
zij vreten uit vraten uit
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgevreten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgevreten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgevreten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgevreten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgevreten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgevreten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgevreten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgevreten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgevreten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgevreten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgevreten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgevreten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgevreten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgevreten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgevreten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgevreten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgevreten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitvreten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te vreten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen vreten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal vreten bijzin, toekomende tijd
uit zou vreten bijzin, voorwaardelijk
uit zouden vreten bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt vreten bijzin, voorwaardelijk
uit zullen vreten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen vreten bijzin, toekomende tijd
uit zult vreten bijzin, toekomende tijd
uitgevreten verleden tijd, deelwoord
uitgevreten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgevreten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgevreten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgevreten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgevreten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgevreten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgevreten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgevreten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgevreten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgevreten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitvrat bijzin, verleden tijd
uitvraten bijzin, verleden tijd
uitvreet bijzin, tegenwoordige tijd
uitvretend onvoltooid, deelwoord
vrat uit verleden tijd
vreet uit gebiedende wijs
waart uitgevreten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgevreten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgevreten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgevreten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgevreten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgevreten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgevreten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgevreten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgevreten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgevreten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgevreten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgevreten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgevreten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgevreten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgevreten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgevreten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgevreten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgevreten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgevreten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgevreten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgevreten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgevreten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgevreten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgevreten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgevreten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitvreten bijzin, toekomende tijd
zijn uitgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgevreten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgevreten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgevreten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgevreten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgevreten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgevreten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgevreten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitvreten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitvreten uit zou(dt) vreten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgevreten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgevreten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgevreten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgevreten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgevreten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgevreten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitvreten bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgevreten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgevreten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitvreten bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgevreten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgevreten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgevreten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgevreten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgevreten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgevreten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitvreten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitvreten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitvreten bijzin, toekomende tijd
zult uitgevreten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitgevreten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit bw en vreten ww

Woordfamilie van uitvreten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
uitgevreten voltooid deelwoord uitvreten
uitvrat subordinate-clause, verleden tijd uitvreten
uitvraten subordinate-clause, verleden tijd uitvreten
uitvreet subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitvreten
uitvrete with-subordinate-clause uitvreten
uitvretend onvoltooid deelwoord uitvreten
uitvretende woordvorm uitvreten
vrat uit verleden tijd uitvreten
vraten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitvreten
vreet uit gebiedende wijs uitvreten
vrete uit woordvorm uitvreten
vreten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitvreten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitvreten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over uitvreten

Wat betekent uitvreten?
Uitvreten is een werkwoord. Het woord betekent: iets slechts of verwerpelijks uithalen. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uitvreten?
Je vervoegt uitvreten als volgt: het voltooid deelwoord is uitgevreten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitvreten is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. V 4
  5. R 2
  6. E 1
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitvreten levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. V 4
  5. R 2
  6. E 1
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitvreten in het kort

uitvreten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uitvreten zijn 86 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitvreten bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitvreten: iets slechts of verwerpelijks uithalen
Deel uitvreten — standaardnederlands.nl