uitvreten
werkwoordBetekenis
- iets slechts of verwerpelijks uithalen
- op kosten leven van
- uitbijten
- leegvreten, opvreten
Vervoeging van uitvreten
uitvretenhele werkwoord — vrat uitverleden tijd enkelvoud — vraten uitverleden tijd meervoud — uitgevretenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vreet uit | vrat uit |
| jij | vreet uit | vrat uit |
| hij, zij, het | vreet uit | vrat uit |
| wij | vreten uit | vraten uit |
| jullie | vreten uit | vraten uit |
| zij | vreten uit | vraten uit |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgevreten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgevreten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgevreten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgevreten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgevreten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgevreten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgevreten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgevreten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgevreten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgevreten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgevreten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgevreten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgevreten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgevreten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgevreten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgevreten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgevreten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgevreten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgevreten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgevreten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgevreten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgevreten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgevreten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgevreten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgevreten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgevreten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgevreten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgevreten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitvreten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te vreten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen vreten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal vreten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou vreten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden vreten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt vreten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen vreten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen vreten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult vreten | bijzin, toekomende tijd |
| uitgevreten | verleden tijd, deelwoord |
| uitgevreten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgevreten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgevreten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgevreten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgevreten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgevreten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgevreten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgevreten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgevreten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgevreten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitvrat | bijzin, verleden tijd |
| uitvraten | bijzin, verleden tijd |
| uitvreet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitvretend | onvoltooid, deelwoord |
| vrat uit | verleden tijd |
| vreet uit | gebiedende wijs |
| waart uitgevreten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgevreten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgevreten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgevreten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgevreten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgevreten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgevreten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgevreten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgevreten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgevreten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgevreten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgevreten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgevreten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgevreten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgevreten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgevreten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgevreten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgevreten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgevreten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgevreten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgevreten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgevreten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgevreten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgevreten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgevreten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgevreten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgevreten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitvreten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitvreten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitvreten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitvreten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgevreten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgevreten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgevreten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgevreten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgevreten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgevreten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgevreten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgevreten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgevreten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgevreten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgevreten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgevreten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgevreten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitvreten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitvreten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitvreten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitvreten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitvreten uit zou(dt) vreten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgevreten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgevreten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgevreten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgevreten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgevreten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgevreten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgevreten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgevreten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgevreten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitvreten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitvreten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitvreten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitvreten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgevreten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgevreten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgevreten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitvreten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitvreten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgevreten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgevreten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgevreten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgevreten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgevreten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgevreten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgevreten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgevreten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgevreten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitvreten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitvreten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitvreten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitvreten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitvreten | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgevreten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitgevreten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en vreten ww
Woordfamilie van uitvreten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgevreten | voltooid deelwoord | uitvreten |
| uitvrat | subordinate-clause, verleden tijd | uitvreten |
| uitvraten | subordinate-clause, verleden tijd | uitvreten |
| uitvreet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitvreten |
| uitvrete | with-subordinate-clause | uitvreten |
| uitvretend | onvoltooid deelwoord | uitvreten |
| uitvretende | woordvorm | uitvreten |
| vrat uit | verleden tijd | uitvreten |
| vraten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitvreten |
| vreet uit | gebiedende wijs | uitvreten |
| vrete uit | woordvorm | uitvreten |
| vreten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitvreten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitvreten zijn vastgelegd.