cijfer
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈsɛifərBetekenis
- teken waarmee aantallen en nummers worden weergegeven
- Bijvoorbeeld 0 en 7 zijn cijfers, maar 19 niet
- in een getal uitgedrukt
Hoe spreek je cijfer uit?
/ˈsɛifər/
Cijfer bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| ɛi | trein |
| f | fiets |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als seifer.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| cijfers | meervoud |
| cijfertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| cijfertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van cijferen
- gebiedende wijs van cijferen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van cijferen
Vervoeging van cijfer
cijferhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘getalmerk’ voor het eerst aangetroffen in 1508
Woordfamilie van cijfer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| cijfers | meervoud | cijfer |
| cijfertje | verkleinwoord | cijfer |
| cijfertjes | verkleinwoord meervoud | cijfer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van cijfer zijn vastgelegd.