buigen
werkwoord ˈbœyɣə(n)Betekenis
- krommend vervormen
- een buiging maken
- zich ~ over: aandacht besteden aan iets
- een bocht maken
Hoe spreek je buigen uit?
/ˈbœyxən/
Buigen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| œy | huis |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- krommend vervormen, van de gewoonlijk rechte stand, houding of richting afwijken transitive
- krom worden, (door vervorming) doen afwijken intransitive
Vervoeging van buigen
buigenhele werkwoord — boogverleden tijd enkelvoud — bogenverleden tijd meervoud — gebogenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | buig | boog |
| jij | buigt | boog |
| hij, zij, het | buigt | boog |
| wij | buigen | bogen |
| jullie | buigen | bogen |
| zij | buigen | bogen |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bogen je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| bogen ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| bogen zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| boog | verleden tijd |
| boog je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| boog me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| boog zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| boog zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| boog zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| boogt u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| boogt u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| buig | gebiedende wijs |
| buig me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| buig u/je , buigt je | gebiedende wijs |
| buige | aanvoegende wijs |
| buige zich | aanvoegende wijs |
| buigen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| buigen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| buigen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| buigend | onvoltooid, deelwoord |
| buigt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| buigt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| buigt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| buigt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| buigt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| buigt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| er is gebogen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebogen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebogen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebogen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebogen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebogen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebogen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebogen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebogen | verleden tijd, deelwoord |
| gebogen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebogen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gebogen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebogen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebogen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebogen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebogen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gebogen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebogen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gebogen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te buigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebogen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen buigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gebogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gebogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gebogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gebogen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gebogen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gebogen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gebogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gebogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gebogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gebogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gebogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gebogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gebogen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gebogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gebogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gebogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gebogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gebogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gebogen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal buigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal buigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal buigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebogen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebogen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebogen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gebogen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebogen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gebogen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebogen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me buigen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich buigen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je buigen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich buigend | onvoltooid, deelwoord |
| zich gebogen hebben | verleden tijd |
| zijn gebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gebogen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou buigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou buigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou buigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gebogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gebogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden buigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden buigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden buigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gebogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gebogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gebogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt buigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebogen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebogen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gebogen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen buigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen buigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen buigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen buigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘krom worden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901.
Woordfamilie van buigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| buig | gebiedende wijs | buigen |
| buige | aanvoegende wijs | buigen |
| buigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | buigen |
| gebogen | voltooid deelwoord | buigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van buigen zijn vastgelegd.