Naar de inhoud

buigen

krommend vervormen

buigen

werkwoord ˈbœyɣə(n)

Betekenis

  1. krommend vervormen
  2. een buiging maken
  3. zich ~ over: aandacht besteden aan iets
  4. een bocht maken

Hoe spreek je buigen uit?

/ˈbœyxən/

Buigen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈbœyxən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
b bak
œy huis
x acht
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. krommend vervormen, van de gewoonlijk rechte stand, houding of richting afwijken transitive
  2. krom worden, (door vervorming) doen afwijken intransitive

Vervoeging van buigen

buigenhele werkwoord — boogverleden tijd enkelvoud — bogenverleden tijd meervoud — gebogenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik buig boog
jij buigt boog
hij, zij, het buigt boog
wij buigen bogen
jullie buigen bogen
zij buigen bogen
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gebogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gebogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bogen je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
bogen ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
bogen zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
boog verleden tijd
boog je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
boog me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
boog zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
boog zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
boog zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
boogt u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
boogt u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
buig gebiedende wijs
buig me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
buig u/je , buigt je gebiedende wijs
buige aanvoegende wijs
buige zich aanvoegende wijs
buigen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
buigen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
buigen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
buigend onvoltooid, deelwoord
buigt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
buigt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
buigt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
buigt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
buigt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
buigt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
er is gebogen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gebogen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gebogen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gebogen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gebogen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gebogen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gebogen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gebogen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gebogen verleden tijd, deelwoord
gebogen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gebogen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gebogen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebogen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebogen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebogen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gebogen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gebogen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gebogen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gebogen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gebogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gebogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gebogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gebogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gebogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gebogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gebogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gebogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gebogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gebogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gebogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gebogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gebogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te buigen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gebogen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen buigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gebogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gebogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gebogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gebogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gebogen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gebogen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gebogen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gebogen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gebogen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gebogen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gebogen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gebogen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gebogen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gebogen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gebogen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gebogen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gebogen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gebogen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gebogen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gebogen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal buigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal buigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal buigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gebogen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebogen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gebogen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gebogen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebogen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gebogen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebogen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me buigen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich buigen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je buigen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich buigend onvoltooid, deelwoord
zich gebogen hebben verleden tijd
zijn gebogen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gebogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gebogen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gebogen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou buigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou buigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou buigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gebogen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebogen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gebogen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebogen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gebogen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebogen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebogen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden buigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden buigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden buigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gebogen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebogen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gebogen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gebogen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gebogen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gebogen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebogen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt buigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gebogen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gebogen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gebogen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen buigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen buigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen buigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen buigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘krom worden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901.

Woordfamilie van buigen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
buig gebiedende wijs buigen
buige aanvoegende wijs buigen
buigt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon buigen
gebogen voltooid deelwoord buigen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van buigen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over buigen

Hoe spreek je buigen uit?
De uitspraak van buigen is: /ˈbœyɣə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent buigen?
Buigen is een werkwoord. Het woord betekent: krommend vervormen. Deze pagina beschrijft 6 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je buigen?
Je vervoegt buigen als volgt: de tegenwoordige tijd is buig, de verleden tijd is boog en het voltooid deelwoord is gebogen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op buigen?

In dit woordenboek rijmen 4 woorden op -uigen op buigen, zoals overtuigen, zuigen en betuigen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op buigen, uitspraak ˈbœyxən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
overtuigen 4
zuigen 2
betuigen 3
verruigen 3

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord buigen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. U 4
  3. I 1
  4. G 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

buigen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. U 2
  3. I 2
  4. G 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 13 zonder bonus
  8. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

buigen telt 6 letters, waarvan 6 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

buigen in het kort

buigen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 6 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van buigen zijn 104 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort buigen bij een woordfamilie van 4 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

buigen: krommend vervormen
Deel buigen — standaardnederlands.nl