brullen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈbrʏlə(n)Betekenis
- bijzonder luid schreeuwen of huilen
- hard geluid maken (uit boosheid, plezier, of verdriet)
Hoe spreek je brullen uit?
/ˈbrʏlən/
Brullen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| r | rood |
| ʏ | put |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van brullen
brullenhele werkwoord — bruldeverleden tijd enkelvoud — bruldenverleden tijd meervoud — gebruldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | brul | brulde |
| jij | brult | brulde |
| hij, zij, het | brult | brulde |
| wij | brullen | brulden |
| jullie | brullen | brulden |
| zij | brullen | brulden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| brul | gebiedende wijs |
| brulde | verleden tijd |
| brulle | aanvoegende wijs |
| brullend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebruld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebruld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebruld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebruld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebruld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebruld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebruld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebruld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebruld | verleden tijd, deelwoord |
| gebruld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebruld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebruld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebruld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebruld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebruld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebruld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebruld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebruld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebruld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebruld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebruld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebruld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebruld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebruld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebruld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebruld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te brullen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebruld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen brullen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal brullen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal brullen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal brullen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebruld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebruld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebruld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou brullen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou brullen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou brullen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebruld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebruld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebruld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden brullen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden brullen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden brullen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebruld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebruld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebruld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt brullen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebruld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen brullen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen brullen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen brullen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen brullen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebruld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebruld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebruld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult brullen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebruld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord brul
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘hard geluid maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1483
Woordfamilie van brullen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| brulde | verleden tijd | brullen |
| brulden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | brullen |
| brulle | aanvoegende wijs | brullen |
| brult | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | brullen |
| gebruld | voltooid deelwoord | brullen |
| gebrulde | woordvorm | brullen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van brullen zijn vastgelegd.