burlen
werkwoordBetekenis
- bronstig loeien
Vervoeging van burlen
burlenhele werkwoord — burldeverleden tijd enkelvoud — burldenverleden tijd meervoud — geburldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | burl | burlde |
| jij | burlt | burlde |
| hij, zij, het | burlt | burlde |
| wij | burlen | burlden |
| jullie | burlen | burlden |
| zij | burlen | burlden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| burl | gebiedende wijs |
| burlde | verleden tijd |
| burle | aanvoegende wijs |
| burlend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geburld | verleden tijd, deelwoord |
| geburld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geburld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geburld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geburld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geburld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geburld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geburld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geburld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geburld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geburld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geburld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geburld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geburld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geburld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geburld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geburld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geburld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te burlen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geburld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen burlen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal burlen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal burlen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal burlen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geburld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geburld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geburld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou burlen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou burlen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou burlen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geburld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geburld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geburld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden burlen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden burlen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden burlen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geburld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geburld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geburld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt burlen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geburld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen burlen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen burlen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen burlen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen burlen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geburld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geburld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geburld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult burlen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geburld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘bronstig loeien van herten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1605
Woordfamilie van burlen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| burl | gebiedende wijs | burlen |
| burlde | verleden tijd | burlen |
| burlden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | burlen |
| burle | aanvoegende wijs | burlen |
| burlend | onvoltooid deelwoord | burlen |
| burlende | woordvorm | burlen |
| burlt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | burlen |
| geburld | voltooid deelwoord | burlen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van burlen zijn vastgelegd.