vullen
werkwoord ˈvʏlə(n)Betekenis
- vol maken
- opvullen.
Hoe spreek je vullen uit?
/ˈvʏlən/
Vullen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ʏ | put |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vullen
vullenhele werkwoord — vuldeverleden tijd enkelvoud — vuldenverleden tijd meervoud — gevuldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vul | vulde |
| jij | vult | vulde |
| hij, zij, het | vult | vulde |
| wij | vullen | vulden |
| jullie | vullen | vulden |
| zij | vullen | vulden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gevuld | verleden tijd, deelwoord |
| gevuld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevuld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevuld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevuld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevuld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevuld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevuld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevuld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevuld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevuld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevuld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevuld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevuld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevuld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevuld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vullen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vullen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vul | gebiedende wijs |
| vulde | verleden tijd |
| vulle | aanvoegende wijs |
| vullend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gevuld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevuld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevuld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vullen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vullen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vullen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vullen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vullen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vullen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vullen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vullen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vullen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vullen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevuld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevuld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevuld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vullen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vullen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vullen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vullen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevuld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vullen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘vol maken’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van vullen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vul | gebiedende wijs | vullen |
| vulde | verleden tijd | vullen |
| vulden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vullen |
| vulle | aanvoegende wijs | vullen |
| vullend | onvoltooid deelwoord | vullen |
| vullende | woordvorm | vullen |
| vult | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vullen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vullen zijn vastgelegd.