borst
zelfstandig naamwoord, werkwoord bɔrstBetekenis
- bovenste deel van de voorkant van de romp van mens (of vergelijkbaar deel bij dier), van onder begrensd door het middenrif en van boven door de hals
- elk van de twee vooruitstekende klieren bij vrouwen waaruit zich de moedermelk afscheidt
- bovenste deel van de voorkant van de romp van mens (of vergelijkbaar deel bij dier), van onder begrensd door het middenrif en de hals
Hoe spreek je borst uit?
/bɔrst/
Borst bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| s | sok |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| borsten | meervoud |
| borstje | verkleinwoord, enkelvoud |
| borstjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van bersten
Vervoeging van borst
borsthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘lichaamsdeel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 701
Woordfamilie van borst
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| borstje | verkleinwoord | borst |
| borstjes | verkleinwoord meervoud | borst |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van borst zijn vastgelegd.