blussen
werkwoordBetekenis
- het doven van een brand
- vloeistof over heet eten doen
Vervoeging van blussen
blussenhele werkwoord — blusteverleden tijd enkelvoud — blustenverleden tijd meervoud — geblustvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blus | bluste |
| jij | blust | bluste |
| hij, zij, het | blust | bluste |
| wij | blussen | blusten |
| jullie | blussen | blusten |
| zij | blussen | blusten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| blus | gebiedende wijs |
| blusse | aanvoegende wijs |
| blussend | onvoltooid, deelwoord |
| bluste | verleden tijd |
| er is geblust | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geblust | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geblust | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geblust | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geblust worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geblust zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geblust worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geblust zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geblust | verleden tijd, deelwoord |
| geblust te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geblust zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geblust | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geblust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geblust | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geblust | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geblust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geblust | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geblust | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geblust | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geblust | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geblust | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geblust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geblust | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geblust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geblust | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geblust | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te blussen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geblust | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen blussen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal blussen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal blussen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal blussen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geblust hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geblust hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geblust hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou blussen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou blussen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou blussen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geblust hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geblust hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geblust hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden blussen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden blussen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden blussen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geblust hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geblust hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geblust hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt blussen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geblust hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen blussen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen blussen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen blussen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen blussen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geblust hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geblust hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geblust hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult blussen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geblust hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘uitdoven’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van blussen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blus | gebiedende wijs | blussen |
| blusse | aanvoegende wijs | blussen |
| blussend | onvoltooid deelwoord | blussen |
| blussende | woordvorm | blussen |
| blust | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | blussen |
| bluste | verleden tijd | blussen |
| blusten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | blussen |
| geblust | voltooid deelwoord | blussen |
| gebluste | woordvorm | blussen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blussen zijn vastgelegd.