Naar de inhoud

uitmaken

een einde maken aan bijvoorbeeld een relatie

uitmaken

werkwoord ˈœytmakə(n)

Betekenis

  1. een einde maken aan bijvoorbeeld een relatie
  2. doven (van vuur)
  3. beslissen, verschil maken, van belang zijn
  4. deel ~ van: een onderdeel zijn van iets

Hoe spreek je uitmaken uit?

/ˈœytmakən/

Uitmaken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytmakən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
m maan
a maan
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. uitschelden transitive

Vervoeging van uitmaken

uitmakenhele werkwoord — maakte uitverleden tijd enkelvoud — maakten uitverleden tijd meervoud — uitgemaaktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik maak uit maakte uit
jij maakt uit maakte uit
hij, zij, het maakt uit maakte uit
wij maken uit maakten uit
jullie maken uit maakten uit
zij maken uit maakten uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgemaakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgemaakt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgemaakt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgemaakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgemaakt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgemaakt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgemaakt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgemaakt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgemaakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgemaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgemaakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgemaakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgemaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgemaakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgemaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgemaakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
maak uit gebiedende wijs
maakte uit verleden tijd
te hebben uitgemaakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitmaken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te maken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen maken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal maken bijzin, toekomende tijd
uit zou maken bijzin, voorwaardelijk
uit zouden maken bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt maken bijzin, voorwaardelijk
uit zullen maken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen maken bijzin, toekomende tijd
uit zult maken bijzin, toekomende tijd
uitgemaakt verleden tijd, deelwoord
uitgemaakt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgemaakt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgemaakt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgemaakt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgemaakt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgemaakt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgemaakt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgemaakt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgemaakt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgemaakt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitmaak bijzin, tegenwoordige tijd
uitmaakt bijzin, tegenwoordige tijd
uitmaakte bijzin, verleden tijd
uitmaakten bijzin, verleden tijd
uitmakend onvoltooid, deelwoord
waart uitgemaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgemaakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgemaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgemaakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgemaakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgemaakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgemaakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgemaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgemaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgemaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgemaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgemaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgemaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgemaakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgemaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgemaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgemaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgemaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgemaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgemaakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgemaakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgemaakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitmaken bijzin, toekomende tijd
zijn uitgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgemaakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgemaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgemaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgemaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitmaken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitmaken uit zou(dt) maken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgemaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgemaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgemaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitmaken bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgemaakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgemaakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitmaken bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgemaakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgemaakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgemaakt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgemaakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitmaken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitmaken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitmaken bijzin, toekomende tijd
zult uitgemaakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit bw en maken ww

Woordfamilie van uitmaken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
maak uit gebiedende wijs uitmaken
maakt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitmaken
maakte uit verleden tijd uitmaken
maakten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitmaken
make uit woordvorm uitmaken
maken uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitmaken
uitgemaakt voltooid deelwoord uitmaken
uitmaak subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitmaken
uitmaakt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitmaken
uitmaakte subordinate-clause, verleden tijd uitmaken
uitmaakten subordinate-clause, verleden tijd uitmaken
uitmake with-subordinate-clause uitmaken
uitmakend onvoltooid deelwoord uitmaken
uitmakende woordvorm uitmaken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitmaken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitmaken

Hoe spreek ik uitmaken uit?
Zo spreek je uitmaken uit: /ˈœytmakə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van uitmaken?
Uitmaken is een werkwoord. De betekenis is: een einde maken aan bijvoorbeeld een relatie. In totaal staan er 5 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitmaken?
Zo vervoeg je uitmaken zo: het voltooid deelwoord is uitgemaakt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitmaken is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. M 3
  5. A 1
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitmaken levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. M 3
  5. A 1
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitmaken in het kort

uitmaken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 5 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitmaken staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitmaken bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitmaken: een einde maken aan bijvoorbeeld een relatie
Deel uitmaken — standaardnederlands.nl