uitmaken
werkwoord ˈœytmakə(n)Betekenis
- een einde maken aan bijvoorbeeld een relatie
- doven (van vuur)
- beslissen, verschil maken, van belang zijn
- deel ~ van: een onderdeel zijn van iets
Hoe spreek je uitmaken uit?
/ˈœytmakən/
Uitmaken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| m | maan |
| a | maan |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- uitschelden transitive
Vervoeging van uitmaken
uitmakenhele werkwoord — maakte uitverleden tijd enkelvoud — maakten uitverleden tijd meervoud — uitgemaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | maak uit | maakte uit |
| jij | maakt uit | maakte uit |
| hij, zij, het | maakt uit | maakte uit |
| wij | maken uit | maakten uit |
| jullie | maken uit | maakten uit |
| zij | maken uit | maakten uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgemaakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgemaakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgemaakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgemaakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| maak uit | gebiedende wijs |
| maakte uit | verleden tijd |
| te hebben uitgemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitmaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te maken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal maken | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou maken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden maken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt maken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen maken | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult maken | bijzin, toekomende tijd |
| uitgemaakt | verleden tijd, deelwoord |
| uitgemaakt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgemaakt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgemaakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgemaakt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgemaakt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgemaakt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgemaakt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgemaakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgemaakt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgemaakt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitmaak | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitmaakt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitmaakte | bijzin, verleden tijd |
| uitmaakten | bijzin, verleden tijd |
| uitmakend | onvoltooid, deelwoord |
| waart uitgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitmaken uit zou(dt) maken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitmaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en maken ww
Woordfamilie van uitmaken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| maak uit | gebiedende wijs | uitmaken |
| maakt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitmaken |
| maakte uit | verleden tijd | uitmaken |
| maakten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitmaken |
| make uit | woordvorm | uitmaken |
| maken uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitmaken |
| uitgemaakt | voltooid deelwoord | uitmaken |
| uitmaak | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitmaken |
| uitmaakt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitmaken |
| uitmaakte | subordinate-clause, verleden tijd | uitmaken |
| uitmaakten | subordinate-clause, verleden tijd | uitmaken |
| uitmake | with-subordinate-clause | uitmaken |
| uitmakend | onvoltooid deelwoord | uitmaken |
| uitmakende | woordvorm | uitmaken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitmaken zijn vastgelegd.