uitblazen
werkwoord ˈœydblazə(n)Betekenis
- (weer) bijkomen, op adem komen, uitrusten
- door blazen doven /uitmaken
- (adem, lucht, rook e.a.) naar buiten blazen
- door blazen leegmaken, schoonmaken of zuiveren
- (glasblazerij) glas door blazen zijn definitieve vorm geven
- een muziekstuk ten einde blazen
- rekeningen of onkosten betalen
- leegdrinken
- leegschieten
- ten einde blazen
Hoe spreek je uitblazen uit?
/ˈœydblazən/
Uitblazen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| d | dak |
| b | bak |
| l | land |
| a | maan |
| z | zon |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- bijkomen, op adem komen, uitrusten figuratively, unergative
- naar buiten blazen transitive
- glas door blazen zijn definitieve vorm geven transitive
Vervoeging van uitblazen
uitblazenhele werkwoord — blies uitverleden tijd enkelvoud — bliezen uitverleden tijd meervoud — uitgeblazenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blaas uit | blies uit |
| jij | blaast uit | blies uit |
| hij, zij, het | blaast uit | blies uit |
| wij | blazen uit | bliezen uit |
| jullie | blazen uit | bliezen uit |
| zij | blazen uit | bliezen uit |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| blaas uit | gebiedende wijs |
| blies uit | verleden tijd |
| er is uitgeblazen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgeblazen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgeblazen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgeblazen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgeblazen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgeblazen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgeblazen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgeblazen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgeblazen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgeblazen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgeblazen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgeblazen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgeblazen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgeblazen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitblazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te blazen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen blazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal blazen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou blazen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden blazen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt blazen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen blazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen blazen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult blazen | bijzin, toekomende tijd |
| uitblaas | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitblaast | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitblazend | onvoltooid, deelwoord |
| uitblies | bijzin, verleden tijd |
| uitbliest | bijzin, verleden tijd |
| uitbliezen | bijzin, verleden tijd |
| uitgeblazen | verleden tijd, deelwoord |
| uitgeblazen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgeblazen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgeblazen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgeblazen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgeblazen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgeblazen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgeblazen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgeblazen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgeblazen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgeblazen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart uitgeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgeblazen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgeblazen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgeblazen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgeblazen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitblazen | bijzin, toekomende tijd |
| zal uitgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgeblazen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgeblazen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn uitgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitblazen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou uitgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgeblazen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgeblazen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgeblazen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) uitblazen uit zou(dt) blazen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitblazen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgeblazen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgeblazen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgeblazen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt uitblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitblazen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgeblazen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen uitblazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitblazen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen uitgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgeblazen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgeblazen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgeblazen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en blazen ww
Woordfamilie van uitblazen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blaas uit | gebiedende wijs | uitblazen |
| blaast uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitblazen |
| blaze uit | woordvorm | uitblazen |
| blazen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitblazen |
| blies uit | verleden tijd | uitblazen |
| bliezen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitblazen |
| uitblaas | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitblazen |
| uitblaast | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitblazen |
| uitblaze | with-subordinate-clause | uitblazen |
| uitblazend | onvoltooid deelwoord | uitblazen |
| uitblazende | woordvorm | uitblazen |
| uitblies | subordinate-clause, verleden tijd | uitblazen |
| uitbliezen | subordinate-clause, verleden tijd | uitblazen |
| uitgeblazen | voltooid deelwoord | uitblazen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitblazen zijn vastgelegd.