Naar de inhoud

uitblussen

een einde maken aan het verbrandingsproces van een brand

uitblussen

werkwoord

Betekenis

  1. een einde maken aan het verbrandingsproces van een brand
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van uitblussen

uitblussenhele werkwoord — bluste uitverleden tijd enkelvoud — blusten uitverleden tijd meervoud — uitgeblustvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik blus uit bluste uit
jij blust uit bluste uit
hij, zij, het blust uit bluste uit
wij blussen uit blusten uit
jullie blussen uit blusten uit
zij blussen uit blusten uit
Alle 107 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
blus uit gebiedende wijs
bluste uit verleden tijd
er is uitgeblust impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgeblust impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgeblust impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgeblust impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgeblust worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgeblust zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgeblust worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgeblust zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgeblust voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgeblust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgeblust voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgeblust voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgeblust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgeblust voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgeblust voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgeblust voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeblust actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgeblust voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeblust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgeblust voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgeblust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeblust voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeblust voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgeblust voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgeblust actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitblussen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te blussen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen blussen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal blussen bijzin, toekomende tijd
uit zou blussen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden blussen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt blussen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen blussen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen blussen bijzin, toekomende tijd
uit zult blussen bijzin, toekomende tijd
uitblus bijzin, tegenwoordige tijd
uitblussend onvoltooid, deelwoord
uitblust bijzin, tegenwoordige tijd
uitbluste bijzin, verleden tijd
uitblusten bijzin, verleden tijd
uitgeblust verleden tijd, deelwoord
uitgeblust te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgeblust te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgeblust te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeblust te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeblust te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeblust worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgeblust zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgeblust zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgeblust zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgeblust zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waren uitgeblust voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgeblust voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgeblust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden uitgeblust enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden uitgeblust enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgeblust enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal uitblussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitblussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitblussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitblussen bijzin, toekomende tijd
zal uitgeblust hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeblust hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgeblust hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgeblust worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgeblust zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn uitgeblust voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou uitblussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitblussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitblussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitblussen bijzin, voorwaardelijk
zou uitgeblust hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeblust hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeblust hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgeblust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgeblust zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) uitblussen uit zou(dt) blussen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitblussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitblussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitblussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitblussen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgeblust hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgeblust hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgeblust hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgeblust worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgeblust zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt uitblussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitblussen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgeblust hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen uitblussen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitblussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitblussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitblussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitblussen bijzin, toekomende tijd
zullen uitgeblust hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgeblust hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgeblust hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgeblust worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgeblust zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult uitblussen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitblussen bijzin, toekomende tijd
zult uitgeblust hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal uitblussen uit zult/zal blussen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en blussen ww

Woordfamilie van uitblussen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
blus uit gebiedende wijs uitblussen
blusse uit woordvorm uitblussen
blussen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitblussen
blust uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitblussen
bluste uit verleden tijd uitblussen
blusten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitblussen
uitblus subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitblussen
uitblusse with-subordinate-clause uitblussen
uitblussend onvoltooid deelwoord uitblussen
uitblussende woordvorm uitblussen
uitblust subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitblussen
uitbluste subordinate-clause, verleden tijd uitblussen
uitblusten subordinate-clause, verleden tijd uitblussen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitblussen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitblussen

Wat betekent uitblussen?
Uitblussen is een werkwoord. Het woord betekent: een einde maken aan het verbrandingsproces van een brand. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uitblussen?
Je vervoegt uitblussen als volgt: het voltooid deelwoord is uitgeblust. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitblussen is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. B 3
  5. L 3
  6. U 4
  7. S 2
  8. S 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitblussen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. B 4
  5. L 3
  6. U 2
  7. S 2
  8. S 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitblussen in het kort

uitblussen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uitblussen zijn 78 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitblussen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitblussen: een einde maken aan het verbrandingsproces van een brand
Deel uitblussen — standaardnederlands.nl