blinken
werkwoordBetekenis
- in opvallende mate licht weerkaatsen of uitzenden
- glanzen
Vervoeging van blinken
blinkenhele werkwoord — blonkverleden tijd enkelvoud — blonkenverleden tijd meervoud — geblonkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blink | blonk |
| jij | blinkt | blonk |
| hij, zij, het | blinkt | blonk |
| wij | blinken | blonken |
| jullie | blinken | blonken |
| zij | blinken | blonken |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geblonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geblonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| blink | gebiedende wijs |
| blinke | aanvoegende wijs |
| blinkend | onvoltooid, deelwoord |
| blonk | verleden tijd |
| er is geblonken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geblonken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geblonken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geblonken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geblonken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geblonken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geblonken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geblonken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geblonken | verleden tijd, deelwoord |
| geblonken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geblonken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geblonken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geblonken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geblonken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geblonken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geblonken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geblonken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geblonken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geblonken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geblonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geblonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geblonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geblonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geblonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geblonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geblonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geblonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geblonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geblonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geblonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geblonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geblonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geblonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geblonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geblonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geblonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te blinken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geblonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen blinken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geblonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geblonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geblonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geblonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geblonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geblonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geblonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geblonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geblonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geblonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geblonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geblonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geblonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geblonken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geblonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geblonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geblonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geblonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geblonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geblonken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal blinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal blinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal blinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geblonken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geblonken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geblonken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geblonken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geblonken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geblonken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geblonken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geblonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geblonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geblonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geblonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou blinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou blinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou blinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geblonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geblonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geblonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geblonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geblonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geblonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geblonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geblonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geblonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden blinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden blinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden blinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geblonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geblonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geblonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geblonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geblonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geblonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geblonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geblonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geblonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt blinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geblonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geblonken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geblonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen blinken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen blinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen blinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen blinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geblonken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geblonken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geblonken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geblonken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geblonken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geblonken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geblonken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geblonken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geblonken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult blinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geblonken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geblonken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geblonken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘stralen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1461
Woordfamilie van blinken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blink | gebiedende wijs | blinken |
| blinke | aanvoegende wijs | blinken |
| blinkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | blinken |
| blonk | verleden tijd | blinken |
| blonken | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | blinken |
| blonkt | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | blinken |
| geblonken | voltooid deelwoord | blinken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blinken zijn vastgelegd.