big
zelfstandig naamwoord, werkwoord bɪxBetekenis
- een jong van het varken
- groot
Hoe spreek je big uit?
/bɪx/
Big bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɪ | pit |
| x | acht |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| biggen | meervoud |
| biggetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| biggetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van biggen
- gebiedende wijs van biggen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van biggen
Vervoeging van big
bighele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘jong van het varken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573.
Woordfamilie van big
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| biggetje | verkleinwoord | big |
| biggetjes | verkleinwoord meervoud | big |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van big zijn vastgelegd.