betichten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand op valse gronden beschuldigen
Vervoeging van betichten
betichtenhele werkwoord — betichtteverleden tijd enkelvoud — betichttenverleden tijd meervoud — betichtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beticht | betichtte |
| jij | beticht | betichtte |
| hij, zij, het | beticht | betichtte |
| wij | betichten | betichtten |
| jullie | betichten | betichtten |
| zij | betichten | betichtten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| beticht | gebiedende wijs |
| beticht | verleden tijd, deelwoord |
| beticht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beticht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| betichte | aanvoegende wijs |
| betichtend | onvoltooid, deelwoord |
| betichtte | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beticht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beticht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beticht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beticht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beticht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beticht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beticht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beticht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beticht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beticht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beticht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beticht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beticht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beticht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beticht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te betichten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben beticht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen betichten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal beticht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beticht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beticht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal betichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal betichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal betichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou beticht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beticht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beticht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou betichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou betichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou betichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden beticht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beticht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beticht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden betichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden betichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden betichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt beticht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt betichten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen beticht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beticht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beticht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen betichten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen betichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen betichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen betichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult beticht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult betichten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord betichte
Herkomst
In de betekenis van ‘beschuldigen’ voor het eerst aangetroffen in 1298
Woordfamilie van betichten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beticht | voltooid deelwoord | betichten |
| betichtend | onvoltooid deelwoord | betichten |
| betichtende | woordvorm | betichten |
| betichtte | verleden tijd | betichten |
| betichtten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | betichten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van betichten zijn vastgelegd.