beschuldigen
werkwoord /bəˈsxʌldəgə/Betekenis
- iemand de schuld geven van iets
- aanklagen, beschuldigen, betichten, schuld geven aan
Hoe spreek je beschuldigen uit?
/bəˈsxʌldəgə/
Beschuldigen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| s | sok |
| x | acht |
| l | land |
| d | dak |
| g | goal |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van beschuldigen
beschuldigenhele werkwoord — beschuldigdeverleden tijd enkelvoud — beschuldigdenverleden tijd meervoud — beschuldigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | beschuldig | beschuldigde |
| jij | beschuldigt | beschuldigde |
| hij, zij, het | beschuldigt | beschuldigde |
| wij | beschuldigen | beschuldigden |
| jullie | beschuldigen | beschuldigden |
| zij | beschuldigen | beschuldigden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben beschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent beschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| beschuldig | gebiedende wijs |
| beschuldigd | verleden tijd, deelwoord |
| beschuldigd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beschuldigd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| beschuldigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beschuldigd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beschuldigd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| beschuldigd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beschuldigd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| beschuldigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beschuldigd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beschuldigd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| beschuldigde | verleden tijd |
| beschuldige | aanvoegende wijs |
| beschuldigend | onvoltooid, deelwoord |
| er is beschuldigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was beschuldigd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd beschuldigd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt beschuldigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal beschuldigd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal beschuldigd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou beschuldigd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou beschuldigd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had beschuldigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had beschuldigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had beschuldigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden beschuldigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden beschuldigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden beschuldigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt beschuldigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb beschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beschuldigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben beschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben beschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben beschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt beschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft beschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is beschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is beschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beschuldigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben beschuldigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beschuldigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart beschuldigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beschuldigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren beschuldigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren beschuldigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was beschuldigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was beschuldigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was beschuldigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd beschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd beschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd beschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden beschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden beschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden beschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt beschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word beschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden beschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden beschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden beschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt beschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt beschuldigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal beschuldigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beschuldigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal beschuldigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beschuldigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beschuldigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal beschuldigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal beschuldigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn beschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn beschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn beschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt beschuldigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou beschuldigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beschuldigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beschuldigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beschuldigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beschuldigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou beschuldigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beschuldigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou beschuldigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou beschuldigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden beschuldigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beschuldigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beschuldigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beschuldigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beschuldigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beschuldigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beschuldigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden beschuldigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden beschuldigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt beschuldigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beschuldigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beschuldigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen beschuldigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beschuldigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beschuldigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beschuldigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beschuldigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beschuldigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beschuldigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen beschuldigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen beschuldigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beschuldigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult beschuldigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beschuldigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beschuldigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beschuldigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘ten laste leggen’ voor het eerst aangetroffen in 1256
Woordfamilie van beschuldigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| beschuldig | gebiedende wijs | beschuldigen |
| beschuldigd | voltooid deelwoord | beschuldigen |
| beschuldige | aanvoegende wijs | beschuldigen |
| beschuldigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | beschuldigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beschuldigen zijn vastgelegd.