betijen
werkwoordBetekenis
- iets of iemand laten betijen: iets of iemand zijn gang laten gaan zonder je er mee te bemoeien, zonder in te grijpen (met de hoop dat alles vanzelf weer goed komt)
Vervoeging van betijen
betijenhele werkwoord — betijtvoltooid deelwoord
Alle 2 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| betijde | verleden tijd |
| betijt | verleden tijd, deelwoord |
Herkomst
In de betekenis van ‘begaan’ voor het eerst aangetroffen in 1300
Woordfamilie van betijen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| betij | woordvorm | betijen |
| betijde | verleden tijd | betijen |
| betijden | woordvorm | betijen |
| betije | woordvorm | betijen |
| betijend | woordvorm | betijen |
| betijende | woordvorm | betijen |
| betijt | voltooid deelwoord | betijen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van betijen zijn vastgelegd.