beker
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈbekərBetekenis
- een cilindervormig voorwerp waaruit gedronken kan worden, mok 1
- trofee
- beker
Hoe spreek je beker uit?
/ˈbekər/
Beker bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| e | veel |
| k | kat |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een cilindervormig voorwerp waaruit gedronken kan worden, mok
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bekers | meervoud |
| bekertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bekertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bekeren
- gebiedende wijs van bekeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bekeren
Vervoeging van beker
bekerhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘drinkgereedschap’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1284
Woordfamilie van beker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bekers | meervoud | beker |
| bekertje | verkleinwoord | beker |
| bekertjes | verkleinwoord meervoud | beker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beker zijn vastgelegd.