zeker
bijvoeglijk naamwoord, werkwoord ˈzekərBetekenis
- waaraan niet getwijfeld hoeft te worden
- een ~ een bepaalde, een of andere
Hoe spreek je zeker uit?
/ˈzekər/
Zeker bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| e | veel |
| k | kat |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zekerder | onverbogen, vergrotende trap |
| zekerdere | verbogen, vergrotende trap |
| zekerders | partitief, vergrotende trap |
| zekere | verbogen, stellende trap |
| zekers | partitief, stellende trap |
| zekerst | onverbogen, overtreffende trap |
| zekerste | verbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zekeren
- gebiedende wijs van zekeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zekeren
Vervoeging van zeker
zekerhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘veilig, stellig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van zeker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zekerder | vergrotende trap | zeker |
| zekerdere | verbogen vergrotende trap | zeker |
| zekerders | partitieve vergrotende trap | zeker |
| zekerst | uninflected, superlative | zeker |
| zekerste | inflected, superlative | zeker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zeker zijn vastgelegd.