afweten
werkwoordBetekenis
- iets ~ van: kennis bezitten op een bepaald gebied
- het laten weten dat iets niet doorgaat
- laten ~: het zonder kennisgeving in gebreke blijven
- laten ~: het defect raken van werktuigen, apparatuur etc.
- in de steek laten; niet meer kunnen vertrouwen
Vervoeging van afweten
afwetenhele werkwoord — wist afverleden tijd enkelvoud — wisten afverleden tijd meervoud — afgewetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | weet af | wist af |
| jij | weet af | wist af |
| hij, zij, het | weet af | wist af |
| wij | weten af | wisten af |
| jullie | weten af | wisten af |
| zij | weten af | wisten af |
Alle 73 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te weten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen weten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal weten | bijzin, toekomende tijd |
| af zou weten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden weten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt weten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen weten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen weten | bijzin, toekomende tijd |
| af zult weten | bijzin, toekomende tijd |
| afgeweten | verleden tijd, deelwoord |
| afgeweten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeweten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afweet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afwetend | onvoltooid, deelwoord |
| afwist | bijzin, verleden tijd |
| afwisten | bijzin, verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeweten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeweten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeweten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeweten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeweten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeweten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeweten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeweten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeweten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeweten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeweten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeweten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeweten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeweten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeweten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgeweten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afweten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weet af | gebiedende wijs |
| wist af | verleden tijd |
| zal afgeweten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeweten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeweten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afweten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afweten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afweten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afweten | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgeweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afweten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afweten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afweten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afweten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afweten af zou(dt) weten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afweten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afweten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afweten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afweten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afweten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afweten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeweten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeweten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeweten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afweten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afweten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afweten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afweten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afweten | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeweten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afweten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afweten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afweten af zult/zal weten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en weten ww
Woordfamilie van afweten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeweten | voltooid deelwoord | afweten |
| afweet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afweten |
| afwete | with-subordinate-clause | afweten |
| afwetend | onvoltooid deelwoord | afweten |
| afwetende | woordvorm | afweten |
| weet af | gebiedende wijs | afweten |
| wete af | woordvorm | afweten |
| weten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afweten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afweten zijn vastgelegd.