Naar de inhoud

aftakelen

slechter worden

aftakelen

werkwoord ˈɑftakələ(n)

Betekenis

  1. slechter worden
  2. een schip van zijn takelage of tuig ontdoen
  3. het door ouderdom of ziekte verliezen van lichaamsfuncties

Hoe spreek je aftakelen uit?

/ˈɑftakələn/

Aftakelen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑftakələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
t tak
a maan
k kat
ə de
l land
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van aftakelen

aftakelenhele werkwoord — takelde afverleden tijd enkelvoud — takelden afverleden tijd meervoud — afgetakeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik takel af takelde af
jij takelt af takelde af
hij, zij, het takelt af takelde af
wij takelen af takelden af
jullie takelen af takelden af
zij takelen af takelden af
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te takelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen takelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal takelen bijzin, toekomende tijd
af zou takelen bijzin, voorwaardelijk
af zouden takelen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt takelen bijzin, voorwaardelijk
af zullen takelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen takelen bijzin, toekomende tijd
af zult takelen bijzin, toekomende tijd
afgetakeld verleden tijd, deelwoord
afgetakeld te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgetakeld zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aftakel bijzin, tegenwoordige tijd
aftakelde bijzin, verleden tijd
aftakelden bijzin, verleden tijd
aftakelend onvoltooid, deelwoord
aftakelt bijzin, tegenwoordige tijd
ben afgetakeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgetakeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is afgetakeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgetakeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
takel af gebiedende wijs
takelde af verleden tijd
te zijn afgetakeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aftakelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgetakeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgetakeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgetakeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgetakeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgetakeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgetakeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgetakeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal afgetakeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgetakeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgetakeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aftakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aftakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aftakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aftakelen bijzin, toekomende tijd
zijn afgetakeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn afgetakeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgetakeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgetakeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgetakeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgetakeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgetakeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgetakeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aftakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aftakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aftakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aftakelen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aftakelen af zou(dt) takelen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgetakeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgetakeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgetakeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aftakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aftakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aftakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aftakelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgetakeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aftakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aftakelen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgetakeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgetakeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgetakeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aftakelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aftakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aftakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aftakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aftakelen bijzin, toekomende tijd
zult afgetakeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult aftakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult aftakelen bijzin, toekomende tijd
zult/zal aftakelen af zult/zal takelen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

In de betekenis van ‘een schip aftuigen’ voor het eerst aangetroffen in 1809

Woordfamilie van aftakelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgetakeld voltooid deelwoord aftakelen
afgetakelde woordvorm aftakelen
aftakel subordinate-clause, tegenwoordige tijd aftakelen
aftakelde subordinate-clause, verleden tijd aftakelen
aftakelden subordinate-clause, verleden tijd aftakelen
aftakele with-subordinate-clause aftakelen
aftakelend onvoltooid deelwoord aftakelen
aftakelende woordvorm aftakelen
aftakelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aftakelen
takel af gebiedende wijs aftakelen
takelde af verleden tijd aftakelen
takelden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aftakelen
takele af woordvorm aftakelen
takelen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aftakelen
takelt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aftakelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aftakelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over aftakelen

Hoe spreek ik aftakelen uit?
Zo spreek je aftakelen uit: /ˈɑftakələ(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van aftakelen?
Aftakelen is een werkwoord. De betekenis is: slechter worden. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik aftakelen?
Zo vervoeg je aftakelen zo: het voltooid deelwoord is afgetakeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aftakelen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. T 2
  4. A 1
  5. K 3
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aftakelen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. T 2
  4. A 1
  5. K 3
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aftakelen in het kort

aftakelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van aftakelen staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort aftakelen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

aftakelen: slechter worden
Deel aftakelen — standaardnederlands.nl