Naar de inhoud

afscheiden

afzonderen, uit de aanwezigheid van iets verwijderen

afscheiden

werkwoord

Betekenis

  1. afzonderen, uit de aanwezigheid van iets verwijderen
  2. een stof voortbrengen en afgeven aan de omgeving
  3. zich ~: een apart (kerk)genootschap of aparte staat gaan vormen, zich terugtrekken

Vervoeging van afscheiden

afscheidenhele werkwoord — scheidde afverleden tijd enkelvoud — scheidden afverleden tijd meervoud — afgescheidenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik scheid af scheidde af
jij scheidt af scheidde af
hij, zij, het scheidt af scheidde af
wij scheiden af scheidden af
jullie scheiden af scheidden af
zij scheiden af scheidden af
Alle 120 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te scheiden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen scheiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal scheiden bijzin, toekomende tijd
af zou scheiden bijzin, voorwaardelijk
af zouden scheiden bijzin, voorwaardelijk
af zoudt scheiden bijzin, voorwaardelijk
af zullen scheiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen scheiden bijzin, toekomende tijd
af zult scheiden bijzin, toekomende tijd
afgescheiden verleden tijd, deelwoord
afgescheiden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgescheiden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgescheiden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgescheiden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgescheiden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgescheiden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgescheiden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgescheiden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgescheiden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgescheiden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afscheid bijzin, tegenwoordige tijd
afscheidde bijzin, verleden tijd
afscheidden bijzin, verleden tijd
afscheidend onvoltooid, deelwoord
afscheidt bijzin, tegenwoordige tijd
er is afgescheiden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgescheiden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgescheiden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgescheiden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgescheiden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgescheiden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgescheiden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgescheiden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgescheiden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgescheiden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgescheiden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgescheiden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgescheiden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgescheiden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgescheiden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgescheiden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
scheid af gebiedende wijs
scheid u/je af, scheidt je af gebiedende wijs
scheidde af verleden tijd
te hebben afgescheiden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afscheiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waren afgescheiden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgescheiden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgescheiden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden afgescheiden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden afgescheiden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgescheiden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal afgescheiden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgescheiden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgescheiden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgescheiden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgescheiden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afscheiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afscheiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afscheiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afscheiden bijzin, toekomende tijd
zal me afscheiden eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich afscheiden derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je afscheiden tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich afgescheiden hebben verleden tijd
zich afscheidend onvoltooid, deelwoord
zijn afgescheiden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou afgescheiden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgescheiden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgescheiden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgescheiden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgescheiden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afscheiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afscheiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afscheiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afscheiden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afscheiden af zou(dt) scheiden bijzin, voorwaardelijk
zouden afgescheiden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgescheiden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgescheiden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgescheiden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgescheiden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afscheiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afscheiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afscheiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afscheiden bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgescheiden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afscheiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afscheiden bijzin, voorwaardelijk
zullen afgescheiden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgescheiden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgescheiden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgescheiden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgescheiden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afscheiden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afscheiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afscheiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afscheiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afscheiden bijzin, toekomende tijd
zullen je afscheiden tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons afscheiden eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen zich afscheiden derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult afgescheiden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afscheiden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afscheiden bijzin, toekomende tijd
zult u afscheiden tweede persoon
zult u afscheiden tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult zich/u afscheiden tweede persoon
zult zich/u afscheiden tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult/zal afscheiden af zult/zal scheiden bijzin, toekomende tijd

Herkomst

van Middelnederlands afsceiden; op te vatten als samenstelling van af bw en scheiden ww

Woordfamilie van afscheiden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgescheiden voltooid deelwoord afscheiden
afscheidde subordinate-clause, verleden tijd afscheiden
afscheidden subordinate-clause, verleden tijd afscheiden
afscheide with-subordinate-clause afscheiden
afscheidend onvoltooid deelwoord afscheiden
afscheidende woordvorm afscheiden
afscheidt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afscheiden
scheid af gebiedende wijs afscheiden
scheidde af verleden tijd afscheiden
scheidden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afscheiden
scheide af woordvorm afscheiden
scheiden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afscheiden
scheidt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afscheiden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afscheiden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over afscheiden

Wat is de betekenis van afscheiden?
Afscheiden is een werkwoord. De betekenis is: afzonderen, uit de aanwezigheid van iets verwijderen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik afscheiden?
Zo vervoeg je afscheiden zo: het voltooid deelwoord is afgescheiden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afscheiden is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. E 1
  7. I 1
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afscheiden levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 99 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. E 1
  7. I 2
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 zonder bonus
  12. 99 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afscheiden in het kort

afscheiden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van afscheiden staan er 89 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort afscheiden bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

afscheiden: afzonderen, uit de aanwezigheid van iets verwijderen
Deel afscheiden — standaardnederlands.nl