afscheiden
werkwoordBetekenis
- afzonderen, uit de aanwezigheid van iets verwijderen
- een stof voortbrengen en afgeven aan de omgeving
- zich ~: een apart (kerk)genootschap of aparte staat gaan vormen, zich terugtrekken
Vervoeging van afscheiden
afscheidenhele werkwoord — scheidde afverleden tijd enkelvoud — scheidden afverleden tijd meervoud — afgescheidenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | scheid af | scheidde af |
| jij | scheidt af | scheidde af |
| hij, zij, het | scheidt af | scheidde af |
| wij | scheiden af | scheidden af |
| jullie | scheiden af | scheidden af |
| zij | scheiden af | scheidden af |
Alle 120 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te scheiden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen scheiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal scheiden | bijzin, toekomende tijd |
| af zou scheiden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden scheiden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt scheiden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen scheiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen scheiden | bijzin, toekomende tijd |
| af zult scheiden | bijzin, toekomende tijd |
| afgescheiden | verleden tijd, deelwoord |
| afgescheiden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgescheiden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgescheiden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgescheiden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgescheiden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgescheiden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgescheiden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgescheiden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgescheiden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgescheiden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afscheid | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afscheidde | bijzin, verleden tijd |
| afscheidden | bijzin, verleden tijd |
| afscheidend | onvoltooid, deelwoord |
| afscheidt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| er is afgescheiden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgescheiden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgescheiden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgescheiden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgescheiden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgescheiden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgescheiden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgescheiden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgescheiden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgescheiden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgescheiden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgescheiden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgescheiden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgescheiden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgescheiden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgescheiden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| scheid af | gebiedende wijs |
| scheid u/je af, scheidt je af | gebiedende wijs |
| scheidde af | verleden tijd |
| te hebben afgescheiden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afscheiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren afgescheiden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgescheiden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgescheiden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden afgescheiden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden afgescheiden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgescheiden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgescheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgescheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgescheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgescheiden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgescheiden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afscheiden | bijzin, toekomende tijd |
| zal me afscheiden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich afscheiden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je afscheiden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich afgescheiden hebben | verleden tijd |
| zich afscheidend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn afgescheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou afgescheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgescheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgescheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgescheiden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgescheiden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afscheiden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afscheiden af zou(dt) scheiden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgescheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgescheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgescheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgescheiden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgescheiden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afscheiden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgescheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afscheiden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgescheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgescheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgescheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgescheiden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgescheiden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afscheiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afscheiden | bijzin, toekomende tijd |
| zullen je afscheiden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons afscheiden | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich afscheiden | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult afgescheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afscheiden | bijzin, toekomende tijd |
| zult u afscheiden | tweede persoon |
| zult u afscheiden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u afscheiden | tweede persoon |
| zult zich/u afscheiden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult/zal afscheiden af zult/zal scheiden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
van Middelnederlands afsceiden; op te vatten als samenstelling van af bw en scheiden ww
Woordfamilie van afscheiden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgescheiden | voltooid deelwoord | afscheiden |
| afscheidde | subordinate-clause, verleden tijd | afscheiden |
| afscheidden | subordinate-clause, verleden tijd | afscheiden |
| afscheide | with-subordinate-clause | afscheiden |
| afscheidend | onvoltooid deelwoord | afscheiden |
| afscheidende | woordvorm | afscheiden |
| afscheidt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afscheiden |
| scheid af | gebiedende wijs | afscheiden |
| scheidde af | verleden tijd | afscheiden |
| scheidden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afscheiden |
| scheide af | woordvorm | afscheiden |
| scheiden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afscheiden |
| scheidt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afscheiden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afscheiden zijn vastgelegd.